03-04-06

nr 65 april 06 - editoriaal

Superstalkers

 

We zouden beter af zijn zonder dictaten van urbanisten

 

Volgens de gemeentewet van 1836 werden bouwvergunningen afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen "van de plans der bouwwerken in de aaneengebouwde gedeelten der gemeenten door private personen uit te voeren". Verder was bouwen aan weinig regels gebonden, voor zover men geen burenhinder veroorzaakte. Dit bleef in grote lijnen zo tot 1940, toen een samenwerking van ‘Duitsgezinden’ (Henry van de Velde) en communisten (Braem), verenigd rond de ideeën van de ‘moderne beweging’ hun centralistische visie op de inrichting van de ruimte konden beginnen realiseren (blz. 3-7). Een communistisch minister beval met de besluitwet van 2 december 1946 dat niemand nog mocht bouwen zonder voorafgaandelijke geschreven toelating van de minister van Openbare Werken of zijn afgevaardigde, tot er – door hem goedgekeurde - bijzondere plannen van aanleg bestonden. Deze wet nam grotendeels de tekst van het besluit van 1940 over. In zestig jaar zijn ‘de urbanisten’ er ondertussen stapsgewijs in geslaagd ons onder een collectivistisch juk te doen leven. Na de wet op stedenbouw van 1962 werden Gewestplannen gemaakt, waarbij voor heel België werd vastgelegd waar nog mocht gebouwd worden en waar niet. Met alle ellende voor zonevreemd gemaakten tot gevolg. Sinds midden jaren ’90 is er een opvolger, het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, met nog meer collectivistische planologie.

 

De planologen nemen de principes van de rechtsstaat nog steeds niet ernstig. Dit blijkt uit een scriptie van jurist Pieter-Jan Defoort (jurist en ruimtelijke planner). Hij stelt vast dat de formulering van de taakstellingen in de structuurplannen heel wat te wensen overlaat, in die mate dat de rechtszekerheid in het gedrang dreigt te komen. “In de praktijk worden via oneigenlijke juridische instrumenten (omzendbrieven, administratieve nota’s, beleidskaders, memoranda, ..) ‘afspraken’ gemaakt en bevoegdheden verdeeld of ad hoc taken toegewezen. Dergelijke taakverdeling wijkt in een aantal gevallen, al dan niet bewust of al dan niet ten gevolge van onduidelijkheden, af van de bevoegdheidsregels zoals die zijn geformuleerd in het RSV (b.v. weekeindverblijven, openluchtrecreatieve bedrijven, golfterreinen, ..).”

 

Ook bij de sociale huisvesting wil de administratie de regels waaraan iedereen in de rechtsstaat zich moet houden naast zich neerleggen. In het ontwerpdecreet van een nieuwe Wooncode dat de Vlaamse regering eind februari goedkeurde staat niet alleen de gekende ‘bereidheid om Nederlands te leren’, maar wordt een eigen huurwetgeving ingevoerd voor sociale woningen. Het Burgerlijk Wetboek voorziet voor alle eigenaars een huurovereenkomst van drie jaar, zonder proefperiode. De sociale huisvestingsmaatschappijen zullen wel een proefperiode van maximum twee jaar kunnen invoeren, “om na te gaan of een huurder zich aan zijn verplichtingen houdt, zoals stipt de huur betalen, geen overlast berokkenen, de woning als een goede huisvader of -moeder onderhouden, geen domiciliefraude plegen, etc.” heet het in de memorie van toelichting. Wanneer de huurder niet aan de eisen voldoet, kan zijn huurcontract ook tijdens die 2 jaar vervroegd opgezegd worden. Ook op het vlak van de bepaling van de huurprijs, de kosten en lasten, indexatie en herziening van de huurprijs, de huurwaarborg wordt afgeweken van het Burgerlijk Wetboek dat alle eigenaars moeten eerbiedigen. Niet dus de sociale huisvestingsmaatschappijen.

 

Maar terug naar de planologen en de gevolgen van hun houding zich van de basisprincipes van de rechtsstaat weinig aan te trekken. Pieter-Jan Defoort: “De bevoegheidsregels bij RO worden soms zelfs flagrant met de voeten getreden.” Zo worden RUP’s of structuurplannen door een onbevoegde overheid vastgesteld. Dit kan aanleiding geven tot rechtstreekse vorderingen tot nietigverklaring of tot het inroepen van de exceptie van onwettigheid, en dus tot ernstige rechtsonzekerheid... “Onbevoegdheid wordt beschouwd als een zeer ernstige inbreuk van de wetgeving. De rechtsstaat wordt immers in de eerste plaats gekenmerkt door het beginsel dat de bestuursoverheid enkel kan optreden op grond en binnen de grenzen van een door de wet bepaalde bevoegdheidstoewijzing. Er is o.a. sprake van onbevoegdheid wanneer een administratieve overheid zich de bevoegdheid aanmatigt die de wet een ander overheidsorgaan heeft opgedragen. Een administratieve rechtshandeling is pas wettig wanneer zij van het wettelijk aangewezen orgaan uitgaat.” Wanneer dus een onbevoegde overheid plannen vastelt, kunnen die aangevochten worden bij de Raad van State. Ook kan bijvoorbeeld, bij het aanvechten van een stedenbouwkundige vergunning, als middel de onwettigheid van het RUP waarop de vergunning is gegrond wordt opgeworpen omdat het RUP door een onbevoegde overheid werd opgesteld. Pieter-Jan Defoort: “Rechtszekerheid en rechtsbescherming kunnen niet in een figurantenrol gedwongen worden in de ruimtelijke planning, hoe graag sommigen dat ook zouden willen.” De planologen gaan dus nog altijd met onze wetten om zoals hun voorganger Renaat Braem, zijn hele leven een overtuigd marxist. Het ontwerp van zijn huis in Deurne kreeg hij van de dienst stedenbouw terug met de bemerking dat het op minstens tien plekken afweek van de stedenbouwkundige bepalingen van het aanlegplan van Deurne die hij zelf had ontworpen. Braem: "Ik maak alleen maar aanlegplannen voor slechte architecten. Ze maken al genoeg stomme dingen, zelfs wanneer er een aanlegplan is."

 

Het leitmotief blijft dus nog steeds de macht om de ruimte naar zijn hand te zetten, onder de mom van ‘het algemeen belang’. Hierbij is corruptie en machtsmisbruik nooit veraf. Corruptie: bij de Gewestplannen bleek achteraf dat stukjes van kaarten nog van kleur veranderden nadat ze door de koning waren ondertekend. Een aantal kabinetsleden werden daar voor vervolgd, maar de zaak sleepte zo lang aan dat de feiten verjaarden en ze vrijuit gingen. Dat was niet het laatste geval van corruptie... Machtsmisbruik: toen in de jaren 1960 de Belgische staat volop snelwegen begon aan te leggen wou het een instrument om vliegensvlug te onteigenen. Meestal wordt nu deze spoedprocedure van onteigening gebruikt, waarbij het bestuur de eigendom in handen krijgt voor er een definitieve uitspraak is over de vergoeding. De vrederechter kent slechts een voorlopige vergoeding toe, waarna een herziening kan worden aangevraagd. Die besturen doen dit vrij systematisch, nadat ze de eigendom al overgedragen kregen. In de praktijk kan zo een procedure 20 tot 30 jaar duren en eindigen met een grotere terugbetaling dan wat initiëel is toegekend.

 

We zijn overgeleverd aan de grillen van de planologen. De ene generatie wil de functies scheiden (woonwijken, wijken om te werken, nog andere voor productie, enz.), ons ophokken in hoge blokken, de volgende heeft het over gedeconcentreerde bundeling, of nog over verweving van functies. We moeten ophouden deze dictators hun zin te geven, en de mensen weer veel meer hun lot in eigen handen laten nemen. De plannenmakers leven zich uit in het afbakenen van gebieden. Eenmaal zus, eenmaal zo. Ze zouden geen landbouw- of stedelijke gebieden kunnen ‘afbakenen’ als de mensen, lang voor zij hun diktaten op papier zetten, geen landbouw zouden bedreven hebben of steden gebouwd. We kunnen zonder, meer nog, we zullen gelukkiger zijn zonder hen. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen moet niet herzien worden maar afgeschaft.

 

Naast de planologen zijn er ook nog de stedenbouwkundige ambtenaren en inspecteurs. Bij de vergunningverlening kan de stedenbouwkundige ambtenaar tal van vage begrippen en normen hanteren, zoals "de bestaanbaarheid met de bestemming”, "de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving”, "het architectonische karakter van het gebied”, "een aanmerkelijke reliëfwijziging”, "de goede ruimtelijke or­dening”, waaraan de diverse besturen bij de uitoefening van hun bevoegdheden een eigen invulling ge­ven. Een zo ruime interpretatiebevoegdheid moet tot corruptie verleiden. Bij de handhaving vraagt en krijgt de stedenbouwkundige inspecteur van de rechter zelfs “dat herstellen in de vorige staat niet betekent dat de plaats moet hersteld worden in een materiële toestand die identiek is aan de toestand die vóór de bouwovertreding bestond; het herstellen van de plaats in de vorige toestand kan ook inhouden dat de illegale constructie volledig of gedeeltelijk wordt afgebroken, met inbegrip van de vóór de bouwovertreding op die plaats al bestaande constructie”. (Cassatie, 13.09.05) Hij probeert dus geen redelijk compromis af te sluiten om toch nog een deel van de vergunde constructie te laten staan. Soms krijgt hij ook veel meer dan volledige afbraak: “Bij een onvergunde met steen verharde parkeerplaats in een bosgebied kan het herstellen van de plaats in de vorige toestand ook inhouden dat grondwerken en aanplantingen moeten worden verricht om het terrein in overeenstemming te brengen met zijn bestemming of zijn omgeving, ook al stelt de rechter niet vast dat vóór de bouwovertreding daarop een identieke begroeiing bestond.”  (Cassatie 13.09.05) In het parlement was er over de inspectie sprake van ‘ordinaire pesterijen’ (zie blz 4-5).

  

11:02 Gepost door | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.