02-12-05

nr 61 december 05

Falende decreetgever

 

Decreetgever al 2 ½ jaar oorzaak van ‘nihil rechtszekerheid’

 

Met een decreet van 4 juni 2003 werd de verjaarbaarheid van de meeste bouwmisdijven ingevoerd. Helaas werd dit zeer slordig geformuleerd. In de decreettekst staat niet dat ‘het misdrijf van het instandhouden’ wordt afgeschaft, maar ‘de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken’. Een klein foutje, met grote gevolgen, dat tweeenhalf jaar later nog altijd niet is rechtgezet. Gevolg: Het standpunt van de administratie is momenteel dat artikel 146 van het decreet RO (de verjaring na vijf jaar) een strafuitsluitingsgrond is en dat dus bijgevolg het misdrijf van instandhouding blijft bestaan, met andere woorden dat er geen straf kan worden opgelegd maar dat het wel nog een misdrijf blijft. Het voortbestaan van het misdrijf heeft tot gevolg dat het – nog volgens de administratie – steeds mogelijk blijft een herstelvordering in te leiden op basis van de actuele instandhouding van een bouwmisdrijf (zodat de verjaring zonder relevantie is). Omtrent deze discussie werd nog steeds geen duidelijkheid verschaft.” (Uit een folder van CD&V, 9 november 2005 ‘Weten waar naartoe - Respect voor ruimte en wonen’).

 

In Gazet van Antwerpen formuleert de hoofdinspecteur op 11 juni 2005 dit standpunt duidelijk: “Het is niet gedaan na 5 jaar”. In de plenaire vergadering van het Vlaams parlement op 15 juni 2005 dringen verschillende sprekers aan dat minister Van Mechelen de inspectie aan banden zou leggen. Deze verwijst in zijn antwoord naar de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Hij had in de Commissie Ruimtelijke Ordening op 28 april 2005 al verklaard: “Mocht u nog twijfels hebben over de rol en de bevoegdheid van stedenbouwkundige inspecteurs, u hebt hun, als wetgever, een opdracht gegeven, die los staat van mijn ministerieel toezicht, met betrekking tot hun concrete actieterrein en actieradius.”

 

Het is de taak van het Vlaams parlement om orde op eigen zaken te stellen. Commissievoorzitter Lachaert in de commissie RO op 3 februari 2005: “Ik pleit ervoor om decretaal vast te leggen dat de instandhouding geen misdrijf is. Dat was het wel volgens de toelichting bij het decreet, maar niet volgens de uiteindelijke tekst van het decreet. Omwille van de verschillen in interpretatie, bestaat hierover een juridische discussie. Ten tweede moet er een regeling komen in verband met de burgerlijke vordering. Bij een strafrechtelijke verjaring is het niet mogelijk om op burgerlijk vlak nog enige slag thuis te halen of een sanctie te treffen, zoals de stedenbouwkundige inspectie nu poogt te doen in een aantal gevallen. Dit is qua perceptie en rechtszekerheid nihil.”

 

Wat houdt het parlement tegen? Een decreet met één zin is voldoende: “In art. 146 worden de woorden ‘de strafsanctie voor’ vervangen door ‘het misdijf van’.” In de memorie van toelichting kan men nog verduidelijken: “Alle herstelvorderingen, ingeleid nadat het primaire misdrijf reeds verjaard was, en ten aanzien waarvan de instandhouding als misdrijf wegvalt, zijn zonder voorwerp geworden. Dit houdt in dat noch de stedenbouwkundige inspecteur, noch de gemeente evenmin via de zuiver burgerlijke procedure van artikel 151 DRO, nog een herstelmaatregel kunnen vorderen in die gevallen waarin het instandhouden niet meer strafbaar is en het oorspronkelijke misdrijf verjaard is.” (*)

 

Een commissie met niet minder dan zeven juristen, waaronder de voorzitter, krijgt dit in 2 ½ jaar niet voor elkaar. De wettenmakers als oorzaak van ‘nihil rechtszekerheid’. Kan het nog absurder?

 

(*) Bron: ‘Handhavings- en verjaringsdecreet Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw’, blz. 95 (Peter Flamey, Joost Bosquet en Frank Judo, Larcier 2004) 

 


11:08 Gepost door | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |