01-11-05

nr 60 november 05

Minder penaliseren

 

Decreetgever springt onnadenkend om met strafrechtelijke sancties

 

In 1989 werd een ‘Interuniversitaire Commissie tot Herziening van het Mi­lieurecht in het Vlaamse Gewest’ opgericht, naar haar voorzitter ook de ‘Commissie Bocken’ genoemd. Deze commissie heeft een aantal voorontwerpen geproduceerd waarvan in de periode 1991‑1996 gebruik werd gemaakt bij heel wat wetgevende initiatieven: herziening van het afvalstoffendecreet, decreet op de bodemsanering, decreet bedrijfsinterne milieuzorg, enz.

 

Deze commissie kreeg onder meer ook als opdracht zorg te dragen voor een ‘verhoging van de doelmatigheid van de strafrechtelij­ke en andere middelen tot handhaving van het milieurecht’. Een van de voor­ontwerpen had trouwens betrekking op het milieustraf­recht. Een studie in 2002 gemaakt door de universiteit Maastricht en het Instituut voor Milieu- en Energierecht van de Katholieke Universiteit Leuven over de strafrechtelijke handhaving van de milieuwetgeving heeft nogal wat kritiek op het parlementaire werk dat op dit vlak gebeurde. De decreetgever blijkt geen ernstige aandacht aan de handha­ving te hebben besteed. Volgens de auteurs van de studie is dit het duidelijkst in het Bodemsa­neringsdecreet, waar in het oorspronkelijk ontwerp geen enkele strafbepaling was opgenomen. Via een amendement kwam er dan uiteindelijk een ‘klassieke’ strafbepaling in terecht waarbij elke schending van de bepalingen van het decreet en de uitvoeringsbesluiten met draco­nische straffen werd bedreigd. Meer bepaald een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en/of een geldboete van BEF 100,- tot BEF 100.000.000,- (maal 200 opdeciemen betekent dit een maximale geldboete van 20 miljard Belgische frank..). Inmiddels is deze bepaling gewijzigd bij artikel 35 van het Decreet van 26 mei 1998, met een ‘genuanceerder’ strafbepaling. De astronomisch hoge maximumstraf bleef wel behouden, zij het dat ze nu op specifieke delicten slaat. In de studie: “Klaarblijkelijk heeft de decreetgever niet omgekeken naar de voorstellen van de Interuniversitaire Commissie op strafrechtelijk vlak. Het gevolg is dat sedert 1991 de decreten op strafrech­telijk vlak alles bij het oude lieten met algemene ruim geformuleerde delicts­omschrijvingen die elke schen­ding van het decreet strafrechtelijk strafbaar stellen. Dit is problematisch indien men vaststelt dat feiten met een geheel onderscheiden onrechtskarakter met eenzelfde sanctie worden bedreigd of sterker nog, dat soms de schending van administratieve belangen tot een hogere strafbe­dreiging aanleiding geeft dan de gevaarzetting van ecologische rechts­goederen. Het verhinderen van toezicht wordt soms met een zwaardere sanctie bedreigd dan de verontreiniging zelf.”

 

Vergeten...

In het Decreet Bedrijfsinterne Milieu­zorg is de decreetgever zelfs vergeten om de niet naleving van de bepalingen van de uitvoe­ringsbeslui­ten strafbaar te stellen. Uit de studie: “De formule­ring van het strafbaar feit in art. 3.8.3, § 1 van het Decreet Bedrijfsinterne Milieu­zorg is uiterst summier en daarmee uiterst ongelukkig. Men heeft hier het aloude, maar in de literatuur sterk bekritiseerde recept van de globale strafbaarstelling toegepast waarbij in het algemeen eenieder die ‘de bepalingen van het Decreet’ schendt met een strafsanctie wordt bedreigd. Deze vorm van strafbaarstelling getuigt van een minachting van de wetgever voor de strafrechtelijke sanctie en kan ook tot door de wetgever ongewilde consequenties lei­den. Elke verplich­ting die in het Decreet is opgenomen wordt op volstrekt ongenuanceerde wijze  gecrimi­naliseerd. De delictsomschrijving is nu bijvoorbeeld  van toepassing op de exploitant van eerste klasse die nalaat een milieucoördinator aan te stellen. Bovendien zijn alle taken die op de milieucoördinator rusten eveneens gecriminaliseerd. Strafbaar is de exploitant die nalaat de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis te brengen van het bestuur. De strafbaarheid beperkt zich tot een schending van de bepalingen van het Decreet, niet van de uitvoeringsbesluiten... Zo is er, althans op basis van dit decreet, geen strafbaar­heid indien een exploitant van tweede klasse die bij besluit van de Vlaamse regering door middel van sectorale voorwaarden verplicht is geworden een milieucoördinator aan te stellen, zulks verzuimt. Die plicht vloeit immers voort uit het besluit. Hetzelfde geldt voor alle bepalingen met betrekking tot de milieuaudit. Die voorbeelden tonen eens te meer aan dat nog al eens te vlug en onnadenkend met de invoering van strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt omgesprongen.”

 

Terecht veel seponeringen

Bij dergelijke ‘onnadenkendheid’ verwondert het dan ook niet dat de parketten de meeste PV’s over milieumisdrijven zonder gevolg klasseren. De milieuinspectie schrijft al enkele jaren achter elkaar in haar jaarverslag dat ze aandringt “op een effectieve strafrechtelijke afhandeling en op een vlotte doorstroming van informatie vanuit de parketten.” De bijgevoegde tabel geeft een overzicht van de bij de milieuinspectie binnengekomen informatie van de parketten over de behandeling van PV’s. Van 1037 terugmeldingen over behandelde PV’s werden er 686 geseponeerd in 2002-2004. Volgens het openbaar ministerie is dagvaarden niet in alle dossiers de meest efficiënte reactie. Primair moet het doel van de inspectie zijn een oplossing te zoeken om de veroorzaakte schade ongedaan te maken. Daarom ook worden geringe en eenmalige feiten die geen schade aan mens of milieu aanrichten, of na een regularisatie, geseponeerd. Vandaar dus het hoge aantal seponeringen.

 

Veel herzieningen nodig

Onder leiding van milieuminister Peeters is nu een grondige herziening van het milieuhandhavingsbeleid in gang gezet (zie blz. 4-5) die moet leiden tot een - ook door de parketten -gewenste grotere depenalisering van milieuovertredingen, maar waarbij toch straffeloosheid wordt vermeden. Ook andere wetgeving kan goed een dergelijke herziening gebruiken, want er wordt niet alleen in het milieuhygiënerecht al te kwistig gepenaliseerd. De bedrijfsleider die in het kader van de terugnameplicht van verpakkingsafval geen preventieplan opstelt kan tot 2 maanden cel krijgen. In het decreet ruimtelijke ordening worden niet alleen ernstige bouwmisdrijven gepenaliseerd, maar ook even hoog handelingen van notarissen en vastgoedmakelaars. Die kunnen tot een gevangenisstraf van 8 dagen tot 5 jaar en/of een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro (momenteel x 5,5 = 2,2 miljoen euro of 88 miljoen Belgische frank) veroordeeld worden als ze een inbreuk plegen op de informatieplicht, bepaald in het Decreet RO. De notarissen en de vastgoedmakelaars moeten ondermeer artikel 99 van dit decreet integraal overnemen in alle akten van verkoop van een onroerend goed. In art. 99 wordt bepaald waarvoor een vergunning nodig is. Wanneer ze dit niet doen, riskeren ze een strafrechtelijke boete tot 2,2 miljoen euro. ‘Le ridicule ne tue pas’ zegt een Frans spreekwoord. De Vlaamse parlementsleden gaan inderdaad niet dood van dergelijke bepalingen, maar ze maken zich wel belachelijk. En het handhavingsbeleid ongeloofwaardig. (phvda)


17:02 Gepost door | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |