30-04-05

nr 55 mei 05

Inhoud:

Moeten de SHM’s honderden miljoenen subsidie terugbetalen?

Beloften van de minister in zijn beleidsnota RO

Vergunningenchaos vermeden bij de dertiende wijziging aan het decreet RO

Is Europa onze laatste hoop tegen staatsmonopolies?

 

Editoriaal

Concurrentievervalsing?

 

Moeten VHM en de SHM’s honderden miljoenen subsidie terugbetalen?

 

Staatssteun die tot concurrentievervalsing kan leiden moet eerst ter goedkeuring aangemeld worden aan de Europese Commissie. Als ze zonder goedkeuring wordt uitbetaald en de concurrentie vervalst, moet ze volgens Europese regels en rechtspraak terugbetaald worden. Dat overkwam Beaulieu, die in 1983 de som van 725 miljoen frank aan staatssteun kreeg voor de overname van het failliete Fabelta-Zwijnaarde. Volgens de toenmalige regering was de steun meer dan verantwoord: ze redde meer dan de helft van de 600 banen bij Fabelta, en onrechtstreeks won de overheid miljoenen, door besparingen op de werkloosheidsuitkeringen en door nieuwe belastingen en sociale lasten. Maar volgens de Europese Commissie vervalste de steun de concurrentie, en moest ze terugbetaald worden. Of staatssteun aan sociale huisvestingsmaatschappijen en ziekenhuizen onder de meldingsplicht valt, daarover waren de meningen tot voor kort verdeeld. Om de knoop door te hakken schreef de Europese Commissie vorig jaar een ontwerp-beschikking waarin ze stelde dat deze steun niet voorafgaandelijk moet worden aangemeld. Het Europees Parlement was het hiermee echter helemaal niet eens. Er kan voor dit Parlement geen sprake zijn van een algemene vrijstelling van een dergelijke aanmelding. De lidstaten moeten eerst een volledig rapport overmaken aan de Commissie met een gedetailleerde uiteenzetting van de werking en de financiering van deze twee sectoren, zodat de Commissie kan nagaan of de steunmaatregelen wettig zijn. Het Europees Parlement stelt vast dat zeer veel steun in deze sectoren tot verstoring van de mededinging kan leiden en wijst erop dat dit sectoren zijn die voor particuliere exploitanten eveneens van belang zijn. De resolutie werd op 22 februari 2005 door de plenaire vergadering van het Europees Parlement aanvaard.

 

Het Europees Parlement is dus geen voorstander van een blanco-vrijstelling van aanmeldingsplicht van staatssteun aan sociale huisvestingsmaatschappijen en ziekenhuizen. Het Vlaamse Gewest erkent uitdrukkelijk de mogelijke concurrentievervalsing van de overheidssteun aan de sociale huisvesting. Dit blijkt o.a. uit recente uitspraken van de Vlaamse Minister bevoegd voor wonen in het Vlaams Parlement, waarin deze stelde “dat er een sociale mix moet worden gecreëerd in de sociale huisvestingssector door hogere inkomens toe te laten, maar dat heeft als nadeel een nog groter aanzuigeffect en concurrentie met de privé-sector.” (Stuk 15 (2004-2005) nr. 7-J).

 

Vlaanderen heeft tot nu nooit enige staatssteun voor de sociale huisvesting aangemeld. Een onderzoek is nu onafwendbaar. Komt daar nog bij dat de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (VHM) en de Sociale Huisvestingsmaatschappijen (SHM’s) over een monopoliepositie beschikken, die kan botsen met Europese principes. Het Europees Parlement benadrukt dat de toewijzing van diensten van algemeen belang zoals verpleging in ziekenhuizen en sociale huisvesting, via een officieel besluit of een aanbesteding, moet voldoen aan doorzichtigheidsnormen en gebaseerd moet zijn op voorwaarden die voor alle concurrenten gelijk zijn. VHM en de SHM’s genieten echter tal van exclusieve voordelen (zie blz. 4-5). Voor hen en voor de ziekenhuizen komt er dus een Europese doorlichting. Subsidie die niet correct is toegekend, moet terugbetaald worden. In het Beaulieu-dossier ging het, intrest inbegrepen, om ongeveer 30 miljoen euro. Bij de sociale huisvesting zou het wel eens om een veelvoud kunnen gaan dat riskeert te moeten worden terugbetaald.



13:55 Gepost door | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

16-04-05

nr 54 april 2005

Inhoud:

Zonevreemden bedot

Het ‘fundamenteel’ basisrecht bestaat niet

Over proportionele maatregelen

Onderzoek situatie zonevreemden in gemeenteplannen

De taken en financiën van de overheid

 

Editoriaal

Zonevreemden bedot

 

Zone-eigen, maar soms met nog minder rechten dan vandaag

 

Zonevreemden kunnen er soms beter aan toe zijn zonevreemd te blijven dan straks zone-eigen gemaakt te worden in een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Dat blijkt uit ons onderzoek naar de gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen (GRSP). (blz. 4-5). Een GRSP is een beleidsnota waarin ook wordt bepaald welke acties er zullen ondernomen worden om de in het GRSP ontwikkelde visie te realiseren. In het richtinggevend gedeelte ervan wordt onder meer het kader beschreven waarin de gemeente de zonevreemdheid wil oplossen. Sommige GRSP’s zijn hierover erg kort, andere gaan meerdere bladzijden in op de voorziene oplossing om de woningen en andere gebouwen ‘zone-eigen’ te maken. De ‘oplossing’ moet er komen met een of meer ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP). De gemeenten kunnen in hun RUP-zonevreemd straks doen wat ze willen, of moet men zeggen: wat de hogere overheden (provinciale en gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren) hen opleggen? In Geel kan dit ‘zone-eigen’ maken betekenen dat woningen die nu in kwetsbare gebieden liggen geen enkele vergunning meer zullen krijgen om te verbouwen binnen het bestaande volume. Geel wil naast de huidige ruimtelijk kwetsbare gebieden “ook nog een aantal gebieden voorstellen, die momenteel niet in een ruimtelijk kwetsbaar gebied zijn gelegen, waar er een strenger beleid moet gevoerd worden dan de huidige principes voor zonevreemde woningen buiten ruimtelijke kwetsbare gebieden. Deze zogenaamde ‘gemeentelijke gevoelige gebieden’ kunnen volgens de huidige decreetsprincipes wel uitbreiden maar omdat ze binnen de gemeentelijke gevoelige zones worden gesitueerd zullen ze dit niet meer kunnen.” En wat zijn ‘gemeentelijk gevoelige gebieden’? “Daaronder worden die gebieden verstaan die de gemeente Geel extra heeft aangeduid en waar er een strenger beleid zal gevoerd worden.” Simpel..

 

Willebroek gaat dezelfde richting uit, ook met gemeentelijk gevoelige gebieden. Aartselaar gaat nog een stap verder, en “wil voor de zonevreemde woningen gelegen in de deelruimte economische as van de A12, meestal woningen gelegen in industrie- of KMO-zone, er de mogelijkheden beperken tot het uitvoeren van werken die niet bouwvergunningsplichtig zijn zoals omschreven in de regelgeving.” Ze zouden dus zelfs hun dakstructuur niet mogen vernieuwen. Nochtans was door de Vlaamse parlementsleden in 2001 stellig beloofd dat de toegekende rechten voor alle zonevreemden BASISRECHTEN waren, waaraan in gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet kon worden getornd. De gemeenten zouden die rechten wel verder kunnen uitbreiden door woningen in een woonkorrel of in woongebied te leggen. Daar klopt dus niets van: van zodra een RUP in werking treedt, dat de bestaande bestemmingsvoorschriften van een plan van aanleg vervangt, eindigen de ‘basisrechten’ van de zonevreemden. (zie blz. 2)

 

Bij veel RUP’s-zonevreemd die in de volgende jaren zullen goedgekeurd worden, kan men een vloed van verzoeken tot vernietiging verwachten bij de Raad van State. De ‘gebiedsgerichte’ aanpak leidt tot een zeer verschillende behandeling van de zonevreemden, naargelang (het gehucht in) de gemeente, het ‘gebied’ waarin ze terechtkomen en de overheid die ze afgebakend heeft. In zijn advies over het ontwerp van decreet RO in 1999 verwees de Raad van State naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgens welke moet worden voldaan aan de vereisten van redelijkheid en evenredigheid ingeval met eigendomsbeperkende maatregelen een algemeen belang wordt nagestreefd. Verbod om zijn dak te vernieuwen of te verbouwen binnen het bestaande vergunde volume hoort daar volgens ons niet bij.





12:55 Gepost door | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

nr 53 maart 2005

Inhoud:

Rond de verjaring is nog veel verbeterwerk nodig

De toets van de rechter: hij kan zelf geen herstelmaatregel bepalen

Verjaring: daarna moet een gebouw als vergund worden geacht

Gedoogd of vergund: al of niet nog een verunning krijgen is kafkaiaans

Sluipend totalitarisme: collectivisering op kosten van de eigenaars

 

Editoriaal

 

RechtsONzekerheid

 

Rond de verjaring is nog veel verbeterwerk nodig

 

Met het arrest van het Arbitragehof van 19 januari 2005 is nu duidelijk dat de meeste bouwmisdrijven na vijf jaar verjaren. Volgens de woordvoerder van minister Van Mechelen kan deze de logica van het rechtscollege over de vernietiging van de twee uitzonderingen volgen. “Het Hof heeft duidelijkheid en rechtszekerheid gecreëerd, daar het principe van de verjaring werd bevestigd, behalve voor bouwmisdrijven in ruimtelijk kwetsbare gebieden.” Die bouwmisdrijven wil Van Mechelen niet verjaarbaar maken. Dat bleek bij een interpellatie van Joke Schauvliege (CD&V) op 3 februari 2005 in de commissie Ruimtelijke Ordening in het Vlaams parlement. “Ik denk er niet aan de uitzondering in de kwetsbare gebieden op te heffen,” verklaarde hij. “De oplossing moet via een planologische weg gebeuren, ook voor de weekeindverblijven.” Onder een ‘planologische weg’ bedoelt Van Mechelen dat sommige stedenbouwkundige kwetsbare gebieden een ander statuut krijgen, bijvoorbeeld landbouwgebied, en zo verjaring zou kunnen intreden. Bart Martens (sp.a) pleitte er die dag echter voor, zoals in een advies van de MiNa-Raad voorgesteld, het aantal gebieden waar geen verjaring kan intreden te verhogen. “Met het oog op een duurzaam ruimtelijk beleid vraagt de MiNa-Raad om te onderzoeken of de regelgever de verjaring van bouwmisdrijven toch ook in andere dan ‘kwetsbare’ gebieden kan uitsluiten. De MiNa-Raad denkt daarbij b.v. aan overstromingsgebieden conform de Europese kaderrichtlijn water en de speciale beschermingszones voor vogel- en habitatrichtlijngebieden.” (Briefadvies van 27 januari 2005). Advocaat Hugo Sebreghts pleitte er tijdens de hoorzittingen over het verjaringsdecreet in 2003 in tegendeel voor een heel andere weg te bewandelen: “Bij de problematiek van de kwetsbare gebieden moeten we ons er van bewust zijn dat deze terminologie zeer recent is in het stedenbouwrecht. Zij is pas tijdens deze legislatuur duidelijk doorgebroken. Als het gebied werkelijk kwetsbaar is en de overheid meent dat het als dusdanig moet behouden blijven, lijkt mij de enige consequente houding dat de overheid ook effectief tot de verwerving overgaat door onteigening.”

Zowel Bart Martens als Vera Dua (Groen!) willen dat de minister onderzoekt op welke juridisch niet door het Arbitragehof vernietigbare manier alsnog een formulering kan gevonden worden waardoor bij ernstige hinder voor de omwonenden of bij een ernstige inbreuk op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften er geen verjaring zou intreden. Zij vinden dat de rechten van de benadeelden bij een bouwovertreding niet langer beschermd zijn. Het antwoord van Van Mechelen: “Wanneer twee buren goed overeenkomen, laten zij elkaar naar hartelust verbouwen. Als ze tien jaar later ruzie maken, zouden die overtredingen plots hinderlijk zijn en aanleiding vormen voor juridische procedures. Dat kan toch niet.”

 

Gedoogd

Volgens de minister is er nu meer rechtszekerheid. Toch zijn er, zoals met de interpellatie van Joke Schauvliege duidelijk werd, nog een reeks ernstige problemen die voor een zeer grote rechtsonzekerheid zorgen. Een hiervan betreft de problematiek van ‘verjaard betekent gedoogd, maar niet vergund’. Soms kan men na verjaring wel, soms niet nog een vergunning krijgen. (Zie verder in dit nummer op blz. 4-5 en 7). Patrick Lachaert was het er (namens de VLD-fractie) met haar over eens dat moet bepaald worden dat er na verjaring geen misdrijf meer is, en dat er “iets moet gebeuren aan het vergund karakter.” Wat, liet hij nog open. Van Mechelen ging hier niet rechtstreeks op in, maar stelde dat men maximaal gebruik zou maken van de mogelijkheid tot regularisatie van oudere bouwmisdrijven. “Wie vroeger veroordeeld werd om zonder vergunning een tuinhuis, veranda, garagebox te hebben opgetrokken, omdat het niet vergunbaar was in landbouwgebied bijvoorbeeld, kan dit nu laten regulariseren omdat het vergunbaar geworden is, of vandaag soms zelfs zonder vergunning toegelaten is.” Dit slaat natuurlijk op de kleinste overtredingen, en brengt geen soulaas voor grote bouwmisdrijven, waar de huidige eigenaar zelf het slachtoffer van kan zijn.

 

Burgerrechtelijke omweg

Volgens enkele parlementsleden blijken de stedenbouwkundige inspecteurs steeds meer een burgerrechtelijke procedure in plaats van een strafrechterlijke in te spannen. Burgerrechtelijk kan namelijk vervolgd worden tot twintig jaar na de feiten. Oorspronkelijk zou het de bedoeling van die procedure geweest zijn om de inspecteur de mogelijkheid te geven alsnog herstelmaatregelen te eisen voor een burgerlijke rechtbank, als het Openbaar Ministerie de strafzaak seponeert. Dit is echter niet wat er in het decreet RO staat. Artikel 151 zegt zonder enige beperking dat zowel de stedenbouwkundige inspecteur als het college van burgemeester en schepenen ook voor de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden de herstelmaatregelen kunnen vorderen (afbraak, verbouwingen of meerwaarde). Hiervoor is volgens het decreet RO niet eens het advies van de Hoge Raad voor Herstelbeleid nodig. Bovendien hoeft de inspecteur zich dan niet te houden aan het principe dat bij voorkeur een meerwaarde moet gevorderd worden, maar hij kan vrolijk de afbraak vorderen. De inspecteur moet ook niet eens het bindend advies vragen van de Hoge Raad bij een strafrechtelijke procedure om al of niet een bouwverbod te laten opleggen, noch om een dwangsom te eisen bij laattijdige uitvoering van het vonnis. Bij de ambtshalve uitvoering van een vonnis door het college van burgemeester en schepenen is evenmin een advies van de Hoge Raad nodig. Erg bevorderlijk voor de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid is dit zeker niet.

Om te onderzoeken of de inspecteur zijn boekje te buiten gaat met een burgerlijke vordering vroeg Van Mechelen een juridisch advies, en zou hij nagaan in hoever het decreet RO nog moet gewijzigd worden. Mogelijke andere wijzigingen aan de decretale bepalingen over de verjaring verwees Van Mechelen naar de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, die ook als opdracht heeft “advies te geven, opmerkingen te maken of voorstellen te doen over alle aangelegenheden met betrekking tot het handhavingsbeleid, op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse regering.” De Hoge Raad voor het Herstelbeleid moet jaarlijks een verslag uitbrengen met eventuele beleidsaanbevelingen aan de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement.

 

Uitgebreide toetsing

Positief is wel dat er volgens het Hof van Cassatie een toetsing mogelijk is, niet alleen van de wettigheid van de gevorderde maatregel maar ook van de rechtmatigheid van de specifiek door de stedenbouwkundige inspecteur gekozen herstelmaatregel (zie blz. 3). Komt daar bij dat het Arbitragehof de principiële voorkeur voor een betaling van een meerwaarde niet beperkt wil zien tot overtredingen gepleegd vóór 1 mei 2000, maar tot alle misdrijven, ook na deze datum (behalve in uitzonderlijke gevallen, zoals het niet respecteren van het beval tot staking van de werken). Een andere vordering dan de meerwaarde, bijvoorbeeld de afbraak, zal de inspecteur uitvoerig moeten verantwoorden. Zoniet riskeert hij naar huis te keren zonder enige herstelmaatregel. De rechter is namelijk niet bevoegd om een andere herstelmaatregel op te leggen wanneer hij de herstelvordering van het bestuur onwettig of kennelijk onredelijk heeft bevonden.

 


12:52 Gepost door | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

nr 52 februari 2005

Inhoud:

De verpletterende verantwoordelijkheid van de wettenmakers

‘Niets is zo moeilijk als iets eenvoudig maken’

De permanente handhavingschaos: tientallen jaren was er geen daadwerkelijke handhaving, eerder georganiseerde willekeur

 Help, mijn stookolietank lekt

Het voorzorgsbeginsel

 

Editoriaal

 

Versheidsdatum

 

De verpletterende verantwoordelijkheid van de wettenmakers

 

Wekelijks komen zo’n twee dozijn commissies samen in Kamer en Vlaams parlement om nieuwe wetten en decreten te bespreken en goed te keuren. Als dit zo voortgaat wordt op een dag de wettenlawine zo groot dat ze als een tsunami alle economisch leven in dit land verwoest. Wetten maken is eenvoudig, zeker als ze slordig gemaakt worden. De gevolgen zijn echter dat het veertig jaar kan duren eer het Hof van Cassatie er een definitieve interpretatie aan geeft. Hoeveel mensen zijn er ondertussen ten onrechte door een rechtbank veroordeeld op basis van een andersluidende interpretatie? De beperkte toetsingsbevoegdheid van het Arbitragehof leidt er zelfs toe dat het ongrondwettelijk verklaren van een rammelend decreet over de verjaring van bouwmisdrijven de rechtsonzekerheid nog vergroot. Moesten na het arrest van 22 juli 2004 alle overtredingen voor advies naar de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, of geen enkele meer?

 

Wetten maken kan snel gaan, ze vereenvoudigen is een heksentoer. Zelfs vijf milieuformulieren alleen maar bundelen in één melding is na vijf jaar nog niet gelukt. Anderzijds geraken belangrijke onderwerpen als een verzekering tegen waterschade of een mazoutfonds jarenlang niet rond door de slechte bevoegdheidsverdeling tussen het Federale en het regionale niveau. De Vlaamse regering doet nu eindelijk een zeer beperkte schuchtere poging om het tij te doen keren. Vanaf 1 januari 2005 moet voor de meeste voorontwerpen van decreet en ontwerpbesluiten van de regering een (zeer beperkte) Regulerings Impact Analyse (RIA) opgemaakt worden (die eigenlijk nog geen echte RIA is). Voor een voorstel van decreet (= opgesteld door parlementsleden) hoeft geen RIA opgemaakt te worden, geen advies gevraagd aan Raad van State, adviesraad of Inspectie van Financiën. Het gebeurt nu al dat een regering, vooral het jaar vóór verkiezingen, een ontwerp van decreet doorspeelt naar de meerderheidsfracties, die ze dan indienen als voorstel van decreet, en zo alle adviezen kunnen overslaan. Nu komt daar voor een regeringsvoorstel dus nog een RIA-tje bij. In de praktijk zal moeten blijken of nu niet veel meer ontwerpen doorgespeeld worden naar het parlement om ze als voorstel in te dienen om RIA en adviezen te omzeilen. De fractie van het Vlaams Belang in het Vlaams parlement is groot genoeg om voor elk voorstel van decreet het advies van de Raad van State te laten vragen. Ze zou de rechtszekerheid een zeer grote dienst bewijzen door dit systematisch voor elk voorstel te eisen. Tot nu deden alle grote fracties dit af en toe, eerder als een tactiek om een voorstel te vertragen of het niet meer gestemd te krijgen voor de verkiezingen.

 

Beseffen de verkozenen wel voldoende de zeer zware verantwoordelijkheid die ze op zich nemen door op een groene knop te drukken en alweer een nieuwe wet goed te keuren? Het zou een blijk van respect voor de burger zijn moesten alle fracties zich de verplichting opleggen eveneens voor al hun decreetvoorstellen een RIA op te maken. Niet een ‘light’ versie, maar een volledige. En naast een begindatum voor elke wet/decreet, ook een ‘versheidsdatum’ te bepalen. Een wet/decreet blijft bijvoorbeeld maximum tien jaar geldig. Wanneer ze voor die tijd niet herbekrachtigd wordt, is ze niet meer van toepassing. Zo zouden de verkozenen systematisch geconfronteerd worden met hun vroeger al te lichtzinnig goedgekeurde regels, en niet alleen de burgers met de gevolgen hiervan.




12:50 Gepost door | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

nr 51 januari 2005

Inhoud:

Een beter Jaar?

Overheid veroorzaakt bouwgrondschaarste

Had de notaris het moeten weten?

Planbaten voor zonevreemd?

Planbaten onuitvoerbaar

De overijverige wetgever

 

Editoriaal 

 

Spraakverwarring over rechtszekerheid

 

In 2004 verklaarde het Arbitragehof twee bepalingen uit het decreet ruimtelijke ordening ongrondwettelijk: de planbaten voor zonevreemden, en twee uitzonderingen op de verjaring van bouwmisdrijven. Het Arbitragehof kwam tot het besluit dat “voor zonevreemde constructies geen planbaten meer verschuldigd zijn.” Toen in 1999 planbaten werden ingevoerd, in het nieuwe decreet Ruimtelijke Ordening, waren CVP en SP het er over eens: ook zonevreemden zouden planbaten moeten betalen als ze zone-eigen werden. Na hard protest werd de decreettekst in 2001 en 2002 bijgeschaafd. Zonevreemde constructies werden, behalve voor een reeks uitzonderingen, vrijgesteld van planbaten. In de herfst van 2003 werd nogmaals aan de tekst over de planbaten gesleuteld. Het Arbitragehof komt nu tot het besluit dat volgens de nieuwe tekst van artikel 88 §1 zonevreemden geen planbaten verschuldigd zijn.

Het Arbitragehof heeft zich blijkbaar geen rekenschap gegeven van het bestaan van artikel 88, §2, tweede lid, op grond waarvan in drie uitzonderingsgevallen toch planbaten verschuldigd zijn voor zonevreemde woningen. In 2003 werd nog toegevoegd dat ook ‘bij functiewijzigingen’ planbaten kunnen verschuldigd zijn na een bestemmingswijziging. Welk bedrag? Ook in een ongewijzigde bestemming kunnen nu meer functies toegelaten worden, maar dan zonder planbaten. Dit leidt tot een ongelijke behandeling. Men kan beter de planbaten helemaal afschaffen.

Het Arbitragehof heeft op 22 juli 2004 twee uitzonderingen op de verjaring van bouwmisdrijven vernietigd. Ook het verschil in behandeling tussen bouwmisdrijven gepleegd vòòr en na 1 mei 2000 kende geen genade in de ogen van het Arbitragehof. Sommigen interpreteerden de uitspraak zo dat ze meenden dat de verjaring volledig was afgeschaft. Minister Van Mechelen volgt deze interpretatie echter niet, zoals blijkt uit zijn antwoord op een parlementaire vraag van Felix Strackx (Vlaams Belang): “Het Arbitragehof betwist niet dat bouwmisdrijven kunnen verjaren.” Ondertussen blijft er wel een ernstige rechtsonzekerheid. Volgens parlementslid Strackx heeft eenzelfde rechter binnen een periode van drie maanden voor nagenoeg identieke overtredingen zelfs een tegenovergesteld vonnis geveld.

Het antwoord van minister Van Mechelen stelt ons echter niet gerust. Het ziet er niet naar uit dat een duidelijke en eenvoudige verjaring mag worden verwacht, maar eerder dat er gesleuteld wordt aan de uitzonderingen.

Hierbij wordt graag gebruik gemaakt van de term ‘rechtszekerheid’. Een totaal bouwverbod, altijd en overal, is een ‘rechtszekere’ regel. Niemand zal die echter billijk en redelijk noemen. De uitzonderingsregels voor de verjaring zijn evenzeer onbillijk. Politici beweren steeds meer dat ze rechtszekerheid willen bieden, maar dat betekent dan dat men exact weet in welke categorie men valt. Wel of niet verjaren bijvoorbeeld. Ondertussen miskent men andere fundamentele rechten. Dit speelt blijkbaar geen rol, als men maar ‘zeker’ is! De overheid moet ook rechtsgelijkheid garanderen en respect opbrengen voor de grondrechten, zoals:

-         recht op eigendom

-         geen terugwerkende kracht van wetten

-         sancties in verhouding tot het misdrijf

-         geen onteigening zonder vergoeding.

Een verjaring invoeren met uitzonderingen geeft geen rechtszekerheid en geeft aanleiding tot discriminatie. We hopen dat onze wettenmakers hier veel meer dan in de vorige jaren rekening mee zullen houden.





12:42 Gepost door | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |