16-04-05

nr 53 maart 2005

Inhoud:

Rond de verjaring is nog veel verbeterwerk nodig

De toets van de rechter: hij kan zelf geen herstelmaatregel bepalen

Verjaring: daarna moet een gebouw als vergund worden geacht

Gedoogd of vergund: al of niet nog een verunning krijgen is kafkaiaans

Sluipend totalitarisme: collectivisering op kosten van de eigenaars

 

Editoriaal

 

RechtsONzekerheid

 

Rond de verjaring is nog veel verbeterwerk nodig

 

Met het arrest van het Arbitragehof van 19 januari 2005 is nu duidelijk dat de meeste bouwmisdrijven na vijf jaar verjaren. Volgens de woordvoerder van minister Van Mechelen kan deze de logica van het rechtscollege over de vernietiging van de twee uitzonderingen volgen. “Het Hof heeft duidelijkheid en rechtszekerheid gecreëerd, daar het principe van de verjaring werd bevestigd, behalve voor bouwmisdrijven in ruimtelijk kwetsbare gebieden.” Die bouwmisdrijven wil Van Mechelen niet verjaarbaar maken. Dat bleek bij een interpellatie van Joke Schauvliege (CD&V) op 3 februari 2005 in de commissie Ruimtelijke Ordening in het Vlaams parlement. “Ik denk er niet aan de uitzondering in de kwetsbare gebieden op te heffen,” verklaarde hij. “De oplossing moet via een planologische weg gebeuren, ook voor de weekeindverblijven.” Onder een ‘planologische weg’ bedoelt Van Mechelen dat sommige stedenbouwkundige kwetsbare gebieden een ander statuut krijgen, bijvoorbeeld landbouwgebied, en zo verjaring zou kunnen intreden. Bart Martens (sp.a) pleitte er die dag echter voor, zoals in een advies van de MiNa-Raad voorgesteld, het aantal gebieden waar geen verjaring kan intreden te verhogen. “Met het oog op een duurzaam ruimtelijk beleid vraagt de MiNa-Raad om te onderzoeken of de regelgever de verjaring van bouwmisdrijven toch ook in andere dan ‘kwetsbare’ gebieden kan uitsluiten. De MiNa-Raad denkt daarbij b.v. aan overstromingsgebieden conform de Europese kaderrichtlijn water en de speciale beschermingszones voor vogel- en habitatrichtlijngebieden.” (Briefadvies van 27 januari 2005). Advocaat Hugo Sebreghts pleitte er tijdens de hoorzittingen over het verjaringsdecreet in 2003 in tegendeel voor een heel andere weg te bewandelen: “Bij de problematiek van de kwetsbare gebieden moeten we ons er van bewust zijn dat deze terminologie zeer recent is in het stedenbouwrecht. Zij is pas tijdens deze legislatuur duidelijk doorgebroken. Als het gebied werkelijk kwetsbaar is en de overheid meent dat het als dusdanig moet behouden blijven, lijkt mij de enige consequente houding dat de overheid ook effectief tot de verwerving overgaat door onteigening.”

Zowel Bart Martens als Vera Dua (Groen!) willen dat de minister onderzoekt op welke juridisch niet door het Arbitragehof vernietigbare manier alsnog een formulering kan gevonden worden waardoor bij ernstige hinder voor de omwonenden of bij een ernstige inbreuk op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften er geen verjaring zou intreden. Zij vinden dat de rechten van de benadeelden bij een bouwovertreding niet langer beschermd zijn. Het antwoord van Van Mechelen: “Wanneer twee buren goed overeenkomen, laten zij elkaar naar hartelust verbouwen. Als ze tien jaar later ruzie maken, zouden die overtredingen plots hinderlijk zijn en aanleiding vormen voor juridische procedures. Dat kan toch niet.”

 

Gedoogd

Volgens de minister is er nu meer rechtszekerheid. Toch zijn er, zoals met de interpellatie van Joke Schauvliege duidelijk werd, nog een reeks ernstige problemen die voor een zeer grote rechtsonzekerheid zorgen. Een hiervan betreft de problematiek van ‘verjaard betekent gedoogd, maar niet vergund’. Soms kan men na verjaring wel, soms niet nog een vergunning krijgen. (Zie verder in dit nummer op blz. 4-5 en 7). Patrick Lachaert was het er (namens de VLD-fractie) met haar over eens dat moet bepaald worden dat er na verjaring geen misdrijf meer is, en dat er “iets moet gebeuren aan het vergund karakter.” Wat, liet hij nog open. Van Mechelen ging hier niet rechtstreeks op in, maar stelde dat men maximaal gebruik zou maken van de mogelijkheid tot regularisatie van oudere bouwmisdrijven. “Wie vroeger veroordeeld werd om zonder vergunning een tuinhuis, veranda, garagebox te hebben opgetrokken, omdat het niet vergunbaar was in landbouwgebied bijvoorbeeld, kan dit nu laten regulariseren omdat het vergunbaar geworden is, of vandaag soms zelfs zonder vergunning toegelaten is.” Dit slaat natuurlijk op de kleinste overtredingen, en brengt geen soulaas voor grote bouwmisdrijven, waar de huidige eigenaar zelf het slachtoffer van kan zijn.

 

Burgerrechtelijke omweg

Volgens enkele parlementsleden blijken de stedenbouwkundige inspecteurs steeds meer een burgerrechtelijke procedure in plaats van een strafrechterlijke in te spannen. Burgerrechtelijk kan namelijk vervolgd worden tot twintig jaar na de feiten. Oorspronkelijk zou het de bedoeling van die procedure geweest zijn om de inspecteur de mogelijkheid te geven alsnog herstelmaatregelen te eisen voor een burgerlijke rechtbank, als het Openbaar Ministerie de strafzaak seponeert. Dit is echter niet wat er in het decreet RO staat. Artikel 151 zegt zonder enige beperking dat zowel de stedenbouwkundige inspecteur als het college van burgemeester en schepenen ook voor de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden de herstelmaatregelen kunnen vorderen (afbraak, verbouwingen of meerwaarde). Hiervoor is volgens het decreet RO niet eens het advies van de Hoge Raad voor Herstelbeleid nodig. Bovendien hoeft de inspecteur zich dan niet te houden aan het principe dat bij voorkeur een meerwaarde moet gevorderd worden, maar hij kan vrolijk de afbraak vorderen. De inspecteur moet ook niet eens het bindend advies vragen van de Hoge Raad bij een strafrechtelijke procedure om al of niet een bouwverbod te laten opleggen, noch om een dwangsom te eisen bij laattijdige uitvoering van het vonnis. Bij de ambtshalve uitvoering van een vonnis door het college van burgemeester en schepenen is evenmin een advies van de Hoge Raad nodig. Erg bevorderlijk voor de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid is dit zeker niet.

Om te onderzoeken of de inspecteur zijn boekje te buiten gaat met een burgerlijke vordering vroeg Van Mechelen een juridisch advies, en zou hij nagaan in hoever het decreet RO nog moet gewijzigd worden. Mogelijke andere wijzigingen aan de decretale bepalingen over de verjaring verwees Van Mechelen naar de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, die ook als opdracht heeft “advies te geven, opmerkingen te maken of voorstellen te doen over alle aangelegenheden met betrekking tot het handhavingsbeleid, op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse regering.” De Hoge Raad voor het Herstelbeleid moet jaarlijks een verslag uitbrengen met eventuele beleidsaanbevelingen aan de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement.

 

Uitgebreide toetsing

Positief is wel dat er volgens het Hof van Cassatie een toetsing mogelijk is, niet alleen van de wettigheid van de gevorderde maatregel maar ook van de rechtmatigheid van de specifiek door de stedenbouwkundige inspecteur gekozen herstelmaatregel (zie blz. 3). Komt daar bij dat het Arbitragehof de principiële voorkeur voor een betaling van een meerwaarde niet beperkt wil zien tot overtredingen gepleegd vóór 1 mei 2000, maar tot alle misdrijven, ook na deze datum (behalve in uitzonderlijke gevallen, zoals het niet respecteren van het beval tot staking van de werken). Een andere vordering dan de meerwaarde, bijvoorbeeld de afbraak, zal de inspecteur uitvoerig moeten verantwoorden. Zoniet riskeert hij naar huis te keren zonder enige herstelmaatregel. De rechter is namelijk niet bevoegd om een andere herstelmaatregel op te leggen wanneer hij de herstelvordering van het bestuur onwettig of kennelijk onredelijk heeft bevonden.

 


12:52 Gepost door | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.